Direct naar content

Reflectie op onderwijsbegroting 2017

Prinsjesdag21-9-2016 Dinsdag 20 september 2016 presenteerde het kabinet Rutte/Asscher de plannen voor 2017, gevat in voorzichtig optimisme. Het gaat beter, maar helaas merkt de burger het nog niet. Dat de regering voor 2017 190 miljoen extra uittrekt voor het onderwijs is voorlopig een koekje van eigen deeg. (Van de in persberichten vaak genoemde 200 miljoen gaat 10 miljoen naar cultuur). Het gaat niet om extra geld voor het onderwijs, maar om een demping van eerder opgelegde bezuinigingen. Wie de miljoenennota goed leest, ziet dat er op sommige punten ook weer fors gesneden wordt. Zo gaat er vanaf 2017 structureel 250 miljoen euro minder naar de financiering van scholen.

Bevreemding
De regering toont zich in de beleidsagenda bij de onderwijsbegroting ingenomen met de staat van het onderwijs en verwijst daarbij naar recent onderzoek van de OESO, de internationale raad voor economische samenwerking en ontwikkeling. Dat wekt bevreemding. De onrust in de samenleving, de ervaren ongelijkheid en de noodzaak om te investeren in toekomstbestendig onderwijs zouden genoeg reden moeten geven om zelfgenoegzaamheid achterwege te laten. Het is teleurstellend dat er op deze punten niet krachtiger gestuurd wordt. 

Goed onderwijs staat en valt met de kwaliteit van de leraar en de regering blijft daarop inzetten op de startende leraar, de lerarenagenda en het lerarenregister. Op zich is dat een mooi streven, maar de regering kiest voor een geïndividualiseerde benadering. Dat terwijl er alom behoefte is aan gemeenschapsvorming en sociale cohesie. Aan een omgeving waarin leraren samen met maatschappelijke partners bouwen aan het onderwijs van de toekomst. 

Onderwijs van 2032
Verder springt in het oog dat het kabinet geen stevige maatregelen neemt om de weg te bereiden voor het onderwijs van 2032, waarvoor het door de regering ingestelde platform 2032 in januari van dit jaar de hoofdlijnen presenteerde. Het is aan de scholen om vanuit de eigen begrotingsruimte vorm aan te geven een professionele cultuur en aan goede externe relaties om ervoor te zorgen dat de gelden die nu worden vrij gemaakt in goede aarde vallen (zoals 55 miljoen voor het bevorderen van gelijke kansen, 145 miljoen voor beter onderwijs en arbeidsvoorwaarden van leraren en 2 miljoen voor de onderwijsinspectie).

Primair onderwijs
Het kabinet claimt dat het primair onderwijs er de komende tijd flink op vooruit gaat. Het veld zal zich daarin zeker niet herkennen. Dat er voor 2017 uitgegaan wordt van een hogere bekostiging per leerling klinkt weliswaar mooi. Het vult absoluut niet het gat dat de afgelopen jaren is ontstaan tussen de bekostiging en werkelijke kosten waar schoolbesturen mee te maken hebben. En dan de extra investering in het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden voor onderwijspersoneel. Er wordt gesproken over 133 miljoen die wordt vrijgemaakt. Maar dan wel in de volgende kabinetsperiode! En dat terwijl er nú geïnvesteerd moet worden om het beroep aantrekkelijker te maken on zodoende meer studenten naar de pabo’s te trekken. Blijven investeringen uit, dan dreigt over tien jaar een tekort van 6.000 tot 8.000 fulltime leraren, zo waarschuwde de PO-Raad onlangs nog. De overheidsuitgaven van de Nederlandse overheid vertaald in % bbp blijven nog altijd achter. In vergelijking met andere West- en Noord-Europese landen zijn we niet meer dan een middenmotor. De ambitie om Nederland te positioneren als kennissamenleving wordt lippendienst bewezen.

Voortgezet Onderwijs
De Onderwijsbegroting voor 2017 staat voor het voortgezet onderwijs in het teken van maatregelen om kansengelijkheid te bevorderen. Het kabinet reserveert hiervoor en voor andere politieke prioriteiten een bedrag van 200 miljoen euro, dat ten dele bedoeld is voor het voortgezet onderwijs. Wat echter onder de oppervlakte blijft, is dat het geld voor de politieke prioriteiten wordt gevonden door in te houden op de reguliere bekostiging, specifiek op de indexatie van een aantal regelingen.

VO-scholen in krimpregio’s zullen deze begrotingsplannen met gemengde gevoelens ontvangen. Recente cijfers onderstrepen opnieuw dat met name scholen in de plattelandsregio’s rekening moeten blijven houden met (verdere) leerlingendaling. Dit vereist samenwerking. En samenwerking vereist investering. Maar waar haalt een krimpschool deze investeringsmiddelen vandaan? Of wat te denken van de broodnodige investeringen op het terrein van ict? 168 Schoollocaties in het voortgezet onderwijs in Nederland hebben nog altijd geen toegang tot een glasvezel- of kabelaansluiting. Digitale leermiddelen kunnen daarom niet of slechts met mate ingezet worden op zo'n 8 procent van de schoollocaties (marktconsultatie van Kennisnet in opdracht van het Doorbraakproject Onderwijs & ICT). En dat terwijl het voortgezet onderwijs de broedplaats is voor onze kenniseconomie.

Vmbo
Het aantal leerlingen in het vmbo overstijgt het aantal leerlingen in havo of vwo (bron: CBS). Toch is er in de Onderwijsbegroting 2017 nauwelijks iets specifieks terug te lezen over het vmbo. Voor het vmbo (alle leerwegen) geldt dat er gestuurd wordt op een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. In wezen is dat een oud voornemen. De wijze waarop dat bereikt zou worden is in de onderwijsbegroting tamelijk vrijblijvend beschreven: ‘netwerkbijeenkomsten om van elkaar te leren’. De investering in euro’s bedraagt 250.000 in de vorm van regeling bekostiging kenniscentra voor leerwerktrajecten vmbo. Dat zet geen zoden aan de dijk. Een ander en bestaand beleidsvoornemen is dat meer leerlingen voor techniek kiezen. Op dit terrein is een positief resultaat te zien van 23% (2012) naar 28% (2016). Beoogd percentage is 30% (2017). Maar we zien in de begroting dat de subsidie Basis voor Presteren (School aan Zet en Bèta Techniek) naar nul gaat.

Waterige wijn in oude zakken
Binnen het vmbo wordt ingezet op een betere aansluiting tussen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en arbeidsmarkt. De initiatieven zijn de afgelopen jaren ingezet en de begroting geeft blijk van continueren en monitoren. De extra gelden die geïnvesteerd worden komen terecht bij hot topics als nieuwkomers en kansenongelijkheid. Waarbij er geen duidelijk oplossingen worden geschetst, maar scholen meer financiële ruimte krijgen om zaken zelf te regelen. Neem dat samen met de oude beleidsplannen die herhaald worden en de beperkte investeringen in waar scholen pijn voelen (lerarentekort, professionalisering en werkdruk), dan krijg je waterige wijn in oude zakken. Dat smaakt bepaald niet naar meer en komt niet tegemoet wat het vmbo nodig heeft.

Beroepsonderwijs
Op pagina 55 van de Onderwijsbegroting staat het in welluidende zinnen waar niemand het mee oneens kan zijn. "Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat deelnemers hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Studenten worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.”

Hoewel het Nederlandse onderwijs gewaardeerd wordt (OESO) vanwege zijn sterke banden met het bedrijfsleven en duale opleidingsmogelijkheden, is dit niet het geluid dat we op de werkvloer horen. Er is nog veel wrijving tussen bedrijfsleven en onderwijs en er is veel afstemming noodzakelijk. Netwerken zijn van cruciaal belang voor de versterking van de banden tussen onderwijs en werkveld.  Naast het Techniekpact en Zorgpact, is een netwerk voor alle overige opleidingen broodnodig en een stevig netwerk tussen leraren en praktijkopleiders om van en met elkaar te leren, innovaties snel de school in te helpen en de samenwerking stevig neer te zetten.

Ontwikkelingen in het veld
De invoering van de herziene kwalificatiestructuur met keuzedelen moet flexibeler onderwijs mogelijk maken. Het mbo werkt hard aan de invulling van het onderwijs op basis van deze nieuwe structuur. Tegelijkertijd is nog veel tijd en ruimte nodig om tot ontwikkeling van het hele programma te komen. Ondersteuning van deze ontwikkelingen zie we niet terug in de Onderwijsbegroting. Ook wordt geen aandacht gegeven aan de veel gehoorde wens in het veld om docenten in gezamenlijkheid het onderwijs te laten ontwikkelen. Juist dat is de manier is om tot versterking van de kwaliteit te komen, tot vernieuwing en verdere professionalisering. Investeren in ontwikkelen en professionalisering is noodzakelijk om tot het zo gewenste uitdagende onderwijs te komen dat aansluit bij de arbeidsmarkt.

Jongeren met afstand tot arbeidsmarkt (PrO/VSO)
Voor het Praktijkonderwijs en het (V)SO en de positie van kwetsbare jongeren is slechts zeer marginaal aandacht in de Onderwijsbegroting. De begroting Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid borduurt voort op interventies die tot nu toe weinig soelaas bieden voor deze doelgroep: Participatiewet, Wet Banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Het ontbreekt nog steeds aan robuuste maatregelen om extra banen te creëren. Inspanningsverplichtingen blijken te vrijblijvend om jongeren in het Pro en VSO een duurzaam arbeidsmarktperspectief te bezorgen. Lichtpunt is dat PrO-en VSO-leerlingen kunnen worden opgenomen in het doelgroepregister en zo een plaats kunnen krijgen in banenconvenanten. Voor jongeren die niet de stap kunnen maken naar de reguliere arbeidsmarkt stelt het kabinet €100 miljoen extra beschikbaar aan gemeenten voor ‘beschutte’ werkplekken.

Gemiste kans
Deze Onderwijsbegroting is al met al teleurstellend. Juist nu de economie groeit, er meer middelen binnenkomen en de rente zo laag is, wordt niet gerichter en steviger geïnvesteerd in een duurzame ontwikkeling van de kennissamenleving en onderwijsorganisaties en -professionals. Een gemiste kans.

Deze reflectie is verzorgd door onze adviseurs Ton Bruining, Felix Razenberg, Marijn van den Dool, Ageeth Nijboer en Tom Koot.

Directeur/adviseur beroepsonderwijs