Samenvatting en analyse Onderwijsverslag 2010-2011
Het begrip ‘basiskwaliteit’ staat ook in dit verslag weer centraal. Hieronder wordt verstaan: de mate waarin scholen voldoen aan de minimale eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van 1) het leerstofaanbod, 2) de onderwijstijd, 3) het pedagogisch-didactisch handelen van leraren, 4) het schoolklimaat, 5) de leerlingenzorg en 6) de leerprestaties. Deze zes kwaliteitsdomeinen hangen voor de inspectie - verwijzend naar wat uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken - in hoge mate samen met het bereiken van goede leerprestaties.
Méér scholen basistoezicht
Wat in het Onderwijsverslag allereerst opvalt, is de constatering dat het percentage zwakke en zeer zwakke scholen de afgelopen jaren sterk is afgenomen en dat een toenemend aantal scholen basistoezicht ontvangen. In september 2011 gold dit voor 95.6% van de scholen in het basisonderwijs. De meeste van de zwakke en zeer zwakke scholen wisten zich te verbeteren en weten die verbetering bovendien ook vast te houden; de inhaalslag die in Friesland en Drenthe is gemaakt, is op niveau gebleven en niet gedaald.
De afname van het percentage zwakke en zeer zwakke scholen is echter regionaal wel verschillend. Waar Overijssel en Zeeland er positief uitspringen met slechts 1% zwakke of zeer zwakke scholen, ligt dat percentage in Flevoland op 10%; vooral Lelystad en Almere tellen veel (zeer) zwakke scholen. Ook de provincie Groningen ligt ruim onder het landelijk gemiddelde. Hoewel ook in deze provincies sprake is van verbetering, zijn de problemen er kennelijk weerbarstiger.
Ook tussen de grote steden – waar minstens 90% van de scholen basistoezicht heeft – bestaan verschillen: terwijl in Amsterdam en Den Haag het aantal scholen met basistoezicht groeit, lijkt dat aantal in Utrecht en Rotterdam te stagneren of zelfs wat af te nemen. In andere grote gemeenten, zoals Almere, Lelystad, Groningen, Zaanstad, Haarlem en Venlo, ligt het percentage scholen dat aan de eisen van basistoezicht voldoet, onder de 90%. Opmerkelijk is niet alleen dat ook een groeiend aantal scholen met achterstandsleerlingen onder het regime van het basistoezicht is gaan vallen, maar ook dat kleine scholen steeds vaker basistoezicht ontvangen.
Scoreverschillen op de normindicatoren
Om te bepalen of aan een school het arrangement ‘basistoezicht’ kan worden toegekend, hanteert de inspectie tien normindicatoren, zoals: “op het eind van de basisschool liggen de leerlingenprestaties tenminste op het niveau dat op basis van de leerlingenpopulatie te verwachten was.”
De afgelopen jaren is het percentage scholen dat op de meeste van deze indicatoren ‘voldoende’ scoorde, gestegen naar 95% of meer. Drie indicatoren laten echter (aanzienlijk) lagere percentages voldoende scores zien, te weten: “De leraren geven duidelijke uitleg van de leerstof.” (91%), “De school gebruikt een samenhangend systeem van genormeerde instrumenten en procedures voor het volgen van de prestaties en de ontwikkeling van de leerlingen.” (88%) en “De school voert de zorg planmatig uit.”.(57%). De kwaliteit van de instructie en die van de begeleiding en zorg blijven – zo stelt de inspectie vast – (belangrijk) achter of laten een neergaande lijn zien, zoals de instructiekwaliteit.
“Instructiekwaliteit neemt af”
De inspectie beoordeelt de uitleg op een school als ‘voldoende’ “wanneer in minimaal driekwart van de bezochte lessen de leraren de leerstof op een aansprekende, doelmatige en interactieve manier zó uitleggen dat alle (!) leerlingen de opdrachten kunnen begrijpen”. Weliswaar voldoet het overgrote deel van de steekproefscholen (90%) aan deze norm, maar dit percentage is de afgelopen jaren wel gedaald.
Tegelijkertijd stelt de inspectie vast dat slechts op 70% van de scholen álle bezochte leraren een voldoende duidelijke uitleg geven. “Een zorgelijke constatering”, vindt zij, “want effectieve instructie vormt de basis van goed onderwijs.”
Opmerkelijk is dat de inspectie tegelijkertijd constateert dat de opbrengsten omhoog zijn gegaan, het aantal (zeer) zwakke scholen daalt en dat op meer dan de helft van de scholen één of meer leerlingen in groep 8 voor één of meer leerstofonderdelen een eigen programma (eigen leerlijn) volgen. Veelal gaat het hierbij om spelling en rekenen / wiskunde. Steeds vaker blijkt de inspectie - zo is in het Onderwijsverslag te lezen - een positief oordeel te geven over de resultaten die de betreffende leerlingen bereikt hebben.
Onderwijs beter op leerlingen afstemmen
De inspectie stelt verder vast dat het leraren op 40% van de scholen onvoldoende lukt om in hun instructie rekening te houden met verschillen tussen leerlingen. Deze situatie is de afgelopen jaren niet verbeterd, maar veeleer licht gedaald, zo blijkt uit het verslag, waarbij de inspectie opmerkt dat: “leraren wel worden geacht deze vaardigheid te beheersen”.
De inspectie maakt hier een wel heel expliciet verwijt aan het adres van leerkrachten en directies. De vraag is echter hoe terecht dit is. Van de inspectie mag worden verwacht dat zij rekening houdt met veranderingen in de context waarbinnen onderwijsgevenden hun werk moeten doen. Op de meeste scholen zitten steeds meer leerlingen waarvan de ontwikkeling achterblijft of die anderszins met problemen kampen die hun effect hebben op de onderwijskwaliteit en de leerlingenprestaties: leer- en gedragsproblemen, een problematische thuissituatie ten gevolge van gestegen kosten van levensonderhoud, dreigend verlies van werk of werkloosheid, relatieproblemen, enzovoort.
Hier als directeur of leerkracht adequaat mee omgaan, is niet eenvoudig. Met de invoering van passend onderwijs in 2013 wordt het aantal zorgleerlingen in het reguliere basisonderwijs nog groter. Het mag bij niemand - zeker niet bij de inspectie - verwondering wekken dat dit de komende schooljaren een fors effect op de onderwijskwaliteit en de opbrengsten zal hebben.
Zeker zijn er directieleden en leerkrachten die voor hun vak niet competent genoeg zijn en (ook) om die reden onvoldoende aan de onderwijskwaliteit bijdragen. Maar wanneer de omstandigheden waaronder leerkrachten en leidinggevenden hun werk moeten doen, veranderen, dienen normen en criteria ook te wijzigen, minstens in de beginperiode. Niet voor niets ruimen atleten die deelnemen aan internationale competities die in hooggelegen gebieden worden gehouden, ruimschoots tevoren tijd in voor een goede acclimatisering. Hier is in verband met de voorgenomen invoering van passend onderwijs ook herhaaldelijk om gevraagd.
Leerlingenzorg: een zorgpunt
Om vast te stellen of scholen voldoende ondersteuning bieden aan zorgleerlingen, kijkt de inspectie naar de mate waarin het scholen lukt alle zorgleerlingen op tijd op te sporen, hun problematiek adequaat te analyseren, planmatig zorg te bieden, én te evalueren of met de geboden hulp het gewenste resultaat is bereikt.
Hiervoor wordt van zes indicatoren gebruik gemaakt, waaronder de indicator “De school gebruikt een samenhangend systeem van genormeerde instrumenten en procedures voor het volgen van de prestaties en de ontwikkeling van de leerlingen”. Zo’n 80% van de scholen scoort op deze indicator ‘voldoende’. De scholen in de steekproef scoren echter aanmerkelijk lager waar het gaat om: “het systematisch volgen en analyseren van de voortgang van de ontwikkeling van de leerlingen”
(55.6%) – “op basis van een analyse van de verzamelde gegevens de zorg bepalen die leerlingen nodig hebben” (48.5%) – “planmatig uitvoeren van de zorg” (57.3%) – “het effect van de zorg regelmatig evalueren” (63.4%). Op vijf van de zes indicatoren is het percentage gezakt; soms gaat het op enkele procentpunten, in een enkel geval om een daling van bijna 13%.
Deze vaststellingen zijn zorglijk. Zaak is wel te weten waar het probleem (vooral) in is gelegen. Voor een deel zal het hier gaan om leerkrachtvaardigheden en het ontbreken van systematiek en controle. Voor een ander deel zullen de relatief lage percentages ‘voldoende’ zeker óók samenhangen met de toegenomen complexiteit van de leerlingenpopulatie die hiervóór al vermeld is.
Een kale presentatie van dit soort percentages, zoals in dit Onderwijsverslag gebeurt, is voor mensen ‘in het onderwijsveld’ eerder ontmoedigend dan stimulerend. Inspecteren zou tot méér dan constateringen en vaststellingen moeten leiden. Toezien op de uitvoering van wettelijke voorschriften en hierover verslag uitbrengen, moet ook betekenen: laten blijken dat men de werkomstandigheden in het onderwijs kent – de zwaarte van het werk erkent – en zich realiseert dat veel vragen nog onvoldoende zijn te beantwoorden vanwege het ontbreken van wetenschappelijk inzicht en/of praktijkkennis.
Opbrengstgericht werken
De kwaliteitszorg in het basisonderwijs is verbeterd, zo valt in het Onderwijsverslag te lezen. Met name wordt hierbij gewezen op het gestegen percentage scholen dat jaarlijks de resultaten van de leerlingen evalueert (71.2%), wat wordt aangemerkt als de belangrijkste kwaliteitszorgindicator in relatie tot de onderwijsopbrengsten.
Toch is geen vooruitgang geboekt in het opbrengstgericht werken, wordt even verderop in het verslag opgemerkt. Dit zou dan vooral zijn veroorzaakt door de al genoemde manco’s in de leerlingenzorg: het onvoldoende volgen van de vorderingen op individueel niveau en evalueren van de verleende zorg.
Wèl hebben veel basisscholen (93%) – naar eigen zeggen – doelen geformuleerd voor de leerlingenprestaties in de basisvakken taal / lezen en rekenen / wiskunde. En dat is óók een aspect dat bij opbrengstgericht werken van belang is.