Direct naar content

Column: ‘Is hier sprake van onbehoorlijk bestuur?’

Een Raad van Toezicht vermoedt onbehoorlijk bestuurlijk gedrag binnen een organisatie. De directeur van een school wilde namelijk ruimtes van de school verhuren voor niet-onderwijsdoeleinden. Maar ouders vonden dat niet gepast voor een school en wilden dit besluit, via onder andere de medezeggenschapraad en de publieke opinie, terugdraaien. Wat doe je dan als toezichthouder? Voer je zelf een onderzoek uit of geef je een extern deskundige de opdracht het onderzoek uit te voeren? En waar dient het onderzoek duidelijkheid over te geven? Allemaal vragen die in dit stadium lastig te beantwoorden zijn. Het is verstandiger is om deze vragen te stellen vóór de situatie zich voordoet... In deze casus besluit de toezichthouder zelf het onderzoek uit te voeren, zonder heldere criteria vooraf.

Naar aanleiding van deze casus vragen Peter van den Heuvel en Felix Razenberg, allebei senior adviseur bij KPC Groep, zich af of de Raad van Toezicht er wel verstandig aan heeft gedaan zelf het onderzoek uit te voeren. En welke vragen hebben ze eigenlijk gesteld? ‘Volgens ons is de hamvraag of een Raad van Toezicht wel zelf onderzoek moet doen naar een afzonderlijk besluit van een bestuurder. Wat zijn de toetsingscriteria, ofwel de kaders die de Raad daarvoor hanteert?’

‘Je hebt verschillende soorten Raden van Toezicht. De ene ziet vooral toe op de begroting en de jaarrekening, de andere houdt zich juist bezig met procedurele kwesties. Er zijn ook Raden van Toezicht die op strategisch niveau sparren met de bestuurder. Maar waar het in werkelijkheid om zou moeten gaan, is dat een Raad van Toezicht toeziet op het feitelijke gedrag van de bestuurder’, aldus Peter van den Heuvel en Felix Razenberg. ‘Een Raad van Toezicht moet zich steeds afvragen: Is er sprake van onbehoorlijk bestuur?’

‘Momenteel is “behoorlijk bestuur” een hot item. Daarbij is de vraag of een bestuurder handelt in overeenstemming met wat wij deugdelijk vinden. Dat vraagt om een beoordeling vanuit een moreel perspectief’, legt Peter van den Heuvel uit. ‘Is het ethisch en moreel verantwoord wat die bestuurder doet? Is hij eerlijk, houdt hij de juiste maat? Spelen er geen persoonlijke belangen mee? Is hij bovendien standvastig en integer? Kortom: zit er een fatsoenlijke bestuurder?’ Felix Razenberg vult aan: ‘Dergelijke vragen vereisen een waardedialoog. Welke waarden en normen leggen wij ten grondslag aan goed bestuur, wat verwachten we van de bestuurder? Welke toetsstenen hanteren we?’

Peter van den HeuvelPeter van den Heuvel: ‘Met belangstelling heb ik laatst weer een artikel gelezen over toezichthouders die bij banken, maar ook bij Amarantis, bepaalde zaken constateerden en prangende vragen stelden, maar geen morele moed toonden. De moed om onderling zaken te bespreken, binnen de Raad van Toezicht, maar ook met de bestuurder. In het eerste artikel over governance hebben we het begrip “rolneming” geїntroduceerd. De moed, het morele besef om te handelen naar wat van je verwacht wordt. En dat betekent dat je soms confrontaties aan moet gaan met collega-toezichthouders en met de bestuurder. Natuurlijk is er dilemma: loyaliteit versus een kritische opstelling. Confrontaties uit de weg gaan is de gemakkelijkste weg, maar niet de weg die past bij je rol.’

‘En dan speelt er nog een ander dilemma’, zegt Felix Razenberg. ‘Het spanningsveld tussen controle en vertrouwen. En daarin speelt vooral de maturiteit van de bestuurder, de mate van taakvolwassenheid, een rol. Hier moet een Raad van Toezicht goed over nadenken. Ons advies is dan ook om als Raad van Toezicht regelmatig bijeen te komen om hypothetische casussen te bespreken. Wat speelt er bij ons, welk kader stellen we, welke houding nemen we aan, welke toetsstenen hanteren we? En bespreek ook hoe elk individueel lid van de Raad van Toezicht dit ziet. Dat geeft verschillende invalshoeken met verschillende waarden, die uiteindelijk leiden tot discussies met andere inzichten van de verschillende leden.’

Om besturen en raden van toezicht beter te laten functioneren binnen organisaties ontwikkelde dr. John Carver het zogenoemde Policy Governance® model. Een model dat in het Nederlandse onderwijs vooral wordt toegepast voor de scheiding bestuur en management. ‘Carver introduceerde in dat kader het begrip “redelijke interpretatie”*,legt Felix Razenberg uit. ‘Redelijkheid veronderstelt een dialoog over de lading van bepaalde waarden en principes. Bijvoorbeeld: wat verstaan de bestuurder en de toezichthouder onder integriteit ? Komt de interpretatie van de bestuurder overeen met die van de toezichthouder?’

‘Bij de overstap van het ‘klassieke’ vrijwilligersbestuur’ naar een model met een Raad van Toezicht is het aantal vergaderingen vaak teruggebracht van 9 naar zo’n 4 a 5. Maar wij zien nu al dat je buiten die “vaste” bijeenkomsten toch ook andere bijeenkomsten moet beleggen. Bijeenkomsten waar de Raad van Toezicht en de bestuurder samen spreken over normen en waarden die horen bij goed bestuur’, aldus Peter van den Heuvel. ‘Tijdens dergelijke bijeenkomsten moet het gaan over waarden en principes als maturiteit en integriteit’, merkt Felix Razenberg op. ‘Een Raad van Toezicht hoeft niet alle onderwijsregels te kennen of een begroting tot achter de komma te kunnen lezen. Het is juist belangrijk om waardediscussies te voeren en hypothetische casussen, over zaken die te maken hebben met “goed bestuur” en “wat is goed toezicht”, te bespreken. Maar ook onderwerpen als “hoe ga je als bestuur om met gevoelige informatie”, “dubbele agenda’s” en “klokkenluiders” kunnen de revue passeren. Morele kwesties kunnen zo preventief en vooral ook objectief besproken worden.’

Dit is het tweede verhaal in de reeks over besturen en toezichthouders. In mei gaat Peter van den Heuvel in op een ander element van Governance.

* Het bestuur geeft aan de gemandateerde/gedelegeerde het recht om bij het verder ontwikkelen en uitvoeren van beleid - in aanvulling op de bestuursuitspraken - elke redelijke interpretatie toe te passen van de geformuleerde bestuursuitspraken.

Delen