Laaggeletterdheid is (g)een modewoord

20 mei 2020

In samenwerking met stichting Lezen & Schrijven werk ik momenteel aan de afronding van het materiaal voor de training taalbuddy. Leerlingen van het mbo begeleiden binnen dit project een andere mbo-leerling, een zogenaamde taalvrager, met als doel het verbeteren van de taalvaardigheden van de taalvrager. Samen met een aantal collega’s van het VISTA College stond ik aan de wieg van dit project. Natuurlijk ben ik er trots op dat het project taalbuddy ’s per 1-1-2020 een landelijke status heeft gekregen in de vorm van een keuzedeel mbo.

Maar tegelijkertijd schrik ik van de noodzaak van initiatieven zoals taalbuddy’s. Dat de noodzaak hoog is om extra aandacht te besteden aan taalonderwijs en op die manier laaggeletterdheid terug te dringen blijkt ook uit de onlangs gepubliceerde ‘De staat van het onderwijs 2020’. De publicatie besteedt expliciet aandacht aan laaggeletterdheid, leesmotivatie en het taaldomein lezen. Ook uit het ‘PISA-2018’ onderzoek komt het verontrustende signaal naar boven dat de groep die moeite heeft met lezen groeit.

Reeks artikelen
Om aan de slag te gaan met taalachterstanden, met mogelijk laaggeletterdheid tot gevolg, zal ik de komende tijd een aantal artikelen met jullie delen. In deze artikelen geef ik praktische tips voor docenten en teams. Hoe ga je om met woordenschat? Wat is taalgericht vakonderwijs en hoe doe je dat? Maar ook tips met betrekking tot leesmotivatie en de groeiende groep deelnemers met Nederlands als tweede taal in het regulier onderwijs. Alvorens praktisch aan de slag te gaan is het belangrijk om stil te staan bij de termen laaggeletterdheid en taalachterstand en deze termen te duiden. Daar ga ik hierna verder op in.


Niveau 2F
Als we spreken over laaggeletterd bedoelen we een volwassene die niveau 2F (Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen, 2009) niet beheerst. Niveau 2F beschouwen we als het minimale burgerschapsniveau, het niveau dat een volwassenen moet beheersen om volwaardig deel te kunnen nemen aan de samenleving. Niveau 2F is dan ook het minimumniveau voor een startkwalificatie in het onderwijs. Wanneer iemand 2F beheerst spreken we van functionele geletterdheid. Hierbij gaat het niet alleen om het kunnen lezen en begrijpen van teksten, maar ook om iets met de informatie te kunnen doen in het dagelijks leven. Mensen moeten bijvoorbeeld in staat zijn om een bijsluiter te begrijpen of een formulier in te vullen. Een ander actueel voorbeeld is het begrijpen van de persconferenties die de minister-president geeft over de coronacrisis in Nederland. Tijdens de persconferentie gebruikt Mark Rutte veel moeilijke woorden, maar ook nieuwe woorden die tijdens de coronacrisis ontstaan. Stichting Lezen & Schrijven herschrijft de persconferenties in meer begrijpelijke taal. Ook de richtlijnen van het RIVM zijn in een begrijpelijke taal uitgelegd. Want hoe meer mensen de richtlijnen begrijpen, hoe groter de kans dat mensen de richtlijnen van het RIVM opvolgen.


Alert op signalen
Bij laaggeletterdheid denken wij vaak aan oudere generaties. Maar ook onder onze jeugd lopen steeds meer leerlingen het risico om laaggeletterd de arbeidsmarkt te betreden. In Nederland hebben zo’n 2,5 miljoen mensen van 16 jaar en ouder moeite met lezen en schrijven, aldus Stichting Lezen & Schrijven. Dus hoe eerder wij in ons onderwijssysteem alert zijn op de signalen, hoe eerder we kunnen bijsturen. Een belangrijk signaal is bijvoorbeeld de thuissituatie. Een leerling in een taalarm gezin loopt een groter risico om op te groeien met en taalachterstand dan een leerling die opgroeit in een gezin waar ouders dagelijks voorlezen.

Taalachterstand
In het basis- en voortgezet onderwijs spreken we nog niet in termen van laaggeletterdheid, maar spreken we over een taalachterstand. De taal is immers nog in ontwikkeling. Het basisonderwijs streeft ernaar, dat een leerling aan het einde van de basisschool minimaal niveau 1F beheerst. Als een leerling dit niveau nog niet beheerst kan dit gezien worden als een taalachterstand. Aan het eind van het vmbo is de verwachting dat een leerling niveau 2F beheerst. Echter kunnen we leerlingen die dit niveau nog niet beheersen niet laaggeletterd noemen. Deze leerling heeft tijdens zijn vervolgopleiding nog de kans om zijn taalniveau te verbeteren. Deze leerling start met een taalachterstand aan zijn vervolgopleiding. Aan het eind van het mbo verwacht men van een leerling dat hij minimaal niveau 2F beheerst.

Gedurende de hele schoolloopbaan van een leerling zijn er mogelijkheden om taalachterstanden aan te pakken. Lezen is één van de vier domeinen binnen het taalonderwijs. In het basisonderwijs zien we dat veel interventieprogramma’s zich richten op zwakke lezers. We kunnen ervan uit gaan, dat deze interventies succesvol zijn, want uit De staat van het onderwijs 2020 blijkt dat 98% van de leerlingen met het fundamenteel leesniveau (1F) het basisonderwijs verlaat en 78% van de leerlingen beheerst al het streefniveau 2F. Ook scholen binnen het voortgezet onderwijs geven extra taalonderwijs, bijvoorbeeld in de vorm van extra lessen. Binnen het mbo wordt taalvaardigheid van leerlingen het meest bevorderd bij opleidingen die een visie op taal of een taalbeleid hebben. Het werkt stimulerend als opleidingen het vak Nederlands geïntegreerd in het programma aanbieden. Door taalgericht vakonderwijs is Nederlands niet alleen een zaak van de docent Nederlands, maar voelt het hele team zich verantwoordelijk.

Leesmotivatie
In alle sectoren van het onderwijs is leesmotivatie een uitdaging. In groep 5/6 van het basisonderwijs hebben leerlingen al een lage leesmotivatie en in het voorgezet onderwijs leest ongeveer 60% van de 15-jarigen alleen iets als het moet of om informatie op te zoeken. ‘De Raad voor Cultuur’ en de ‘Onderwijsraad’ deden dan ook in juni 2019 al een oproep tot een leesoffensief. De eerdergenoemde ‘Staat van het onderwijs 2020’ en ‘PISA-2018’ onderschrijven de noodzaak om expliciet aandacht te besteden aan het domein lezen. Ministers van Engelshoven en Slob (onderwijs) zijn van mening dat leesplezier- en motivatie vaste onderdelen moeten zijn van het verbeterde curriculum.

Expliciete aandacht in het curriculum voor het domein lezen én een doorlopende leerlijn tussen de onderwijssectoren zijn nodig om ervoor te zorgen dat leerlingen met een startkwalificatie de arbeidsmarkt betreden. Alleen dan kunnen we ervoor zorgen dat laaggeletterdheid een modewoord is. Ik heb dan ook de hoop dat het woord ‘laaggeletterdheid’ niet lang meer bestaat.

 

Reacties

Reageer zelf of bekijk alle reacties

Geïnteresseerd?

Neem dan contact op met:

Judith Wolfs
Adviseur
073-6247247

E-mail Judith