Reflectie op onderwijsbegroting 2018

21 september 2017

Dinsdag 19 september 2017 presenteerde het demissionaire kabinet Rutte-II de plannen voor 2018. Door velen gezien als een “voor spek & bonen” begroting. 

Demissionair of niet, ons land, onze burgers, onze kinderen en onze economie zitten daar niet op te wachten. Het onderwijs is te belangrijk om tijd te verspillen en het beleid van een nieuw kabinet af te wachten. Het valt het kabinet Rutte/Asscher te prijzen dat het huishoudboekje beter op orde is. Maar het is spijtig om in de Miljoenennota te lezen dat het onderwijs vooral als een kostenpost wordt gezien die we samen moeten dragen. 

In de troonrede zei de koning dat goed onderwijs voor alle kinderen belangrijk is. Dat leraren daarin het verschil maken en dat daarom geïnvesteerd wordt in arbeidsvoorwaarden. Natuurlijk is het het goed recht van leraren dat zij eindelijk ook eens profiteren van de groei van de economie en dat hun salarissen worden bijgepast. Maar goed onderwijs vraagt veel meer dan waardering voor de leraren. In de Miljoenennota staat dat het onderwijs ervoor moet zorgen dat zoveel mogelijk Nederlanders een diploma krijgen. Ook dat geeft te denken. Goed onderwijs is belangrijk voor ons allemaal. Goed onderwijs maakt de samenleving klaar voor ons aller toekomst. In de aanloop naar de begroting ging het vooral om het politieke spel met de salarissen van de leraren in het basisonderwijs. Jammer, want dat verdoezelt het gebrek aan een fatsoenlijke nalatenschap.

Primair onderwijs
Voor lerarensalarissen in het PO wordt 270 miljoen extra uitgetrokken. Dit zorgt voor een salarisverhoging van zo’n 3% (500 euro-1000 euro per jaar) voor leraren in het PO. Dit komt niet in de buurt van de salariseis die is gesteld door de PO-Raad en de vakbonden. Die zetten in op een investering van 900 miljoen voor de salarissen (10% verhoging) en een impuls van 500 miljoen om de werkdruk te verlagen. 900 miljoen is allereerst nodig om de tekorten in de basisbekostiging te dichten. 
In de afgelopen jaren is gebleken dat de sociale lasten die elk jaar verhoogd werden (bijvoorbeeld de pensioenpremies) niet voldoende werden gecompenseerd in de bekostiging. Ook initiatieven die ervoor moesten zorgen dat het beroep van leraar in het primair onderwijs aantrekkelijker zou worden, waren plannen die uit eigen zak betaald moesten worden. De verplichting om meer leerkrachten in LB- en LC-schalen te plaatsen werden onvoldoende gevolgd door de bekostiging. Besturen waren daardoor niet in staat om deze hogere salarissen uit te betalen. Verder zorgt de investering van 900 miljoen voor een beter vergelijkbaar salaris met leraren uit het VO. De 500 miljoen euro is nodig om de werkdruk in het PO te verlagen.

Met kleine druppels op de gloeiende plaat wordt getracht kleine hervormingen in het onderwijs te stimuleren. Een voorbeeld is de nieuwe Doorstroomregeling PO-VO. Hiervoor heeft het kabinet voor 2017 een bedrag van 4,750 miljoen euro beschikbaar gesteld. Echter de inschrijftermijn werd vlak voor/in de zomervakantie geopend en sluit al op 1 oktober. Dat is voor veel scholen veel te laat voor het indienen van een aanvraag. Kansengelijkheid verkrijg je niet met relatief kortlopende impulsen. Kansengelijkheid kan alleen met langdurige investeringen worden bewerkstelligd. 

Voortgezet Onderwijs
Een demissionair kabinet wil niet over haar graf regeren en zeker niet als een kabinetsformatie zo dichtbij is. Toch hadden we wel wat meer lef verwacht. Zo komt er wel extra geld voor salarissen in het PO, maar niet voor het VO. Dit was weliswaar geen eis vanuit het VO-veld, maar regeren is vooruit zien. 

Nu al is er een groot tekort aan leraren in het VO (600fte), in 2018 loopt dit vermoedelijk verder op tot ca. 800fte. Wat gaat dit de komende jaren betekenen als de dienstverlenende sector (onderwijs – politie –zorg) tezamen uit die opdrogende vijver aan arbeidskrachten moet putten? Primaire arbeidsvoorwaarden spelen dan een belangrijke rol bij de studiekeuze. Een gemiste kans dat het kabinet dit risico niet onderkent! De NOS rekende al eerder in het Journaal voor hoe groot de verschillen in salariëring zijn in de publieke sector.

 

(Bron: NOS)


Daarnaast is er binnen het VO een dringende behoefte aan extra middelen voor extra ontwikkeltijd voor de docent. Zo stelt de VO-raad de eis van 100uur/fte. Dat is nodig om de ambities, zoals verwoord in Onderwijs2032, handen en voeten te geven. Vooralsnog steekt de overheid alleen in op een investering voor een herijking van het nationaal curriculum voor het Primair en Voortgezet Onderwijs. Dit traject wordt momenteel uitgerold onder de naam Curriculum.nu.

De overheid ziet een groei in het groen onderwijs. Om de toenemende stroom leerlingen die kiezen voor een opleiding in de tuin- en landbouwsector te kunnen bedienen, wordt er een extra investering gedaan van 6,2 miljoen.

Verder blijft de Miljoenennota vaag over plannen voor het VO. Er wordt wel gesproken over het belang van excellent en breed toegankelijk onderwijs. Wat men hierbij voor ogen heeft wordt niet nader toegelicht.

Al bij al dus een beleidsarme begroting. Erg? Het is maar hoe je het bekijkt. Het onderwijs zit wel te wachten op extra geld, maar niet op extra plannen. Immers, de ambities en uitdagingen van de Miljoenennota van 2017 zijn lang nog niet allemaal gerealiseerd. Veel VO-scholen kampen nog met de krimpproblematiek. Maatregelen om kansengelijkheid te bevorderen zijn lang niet allemaal uitgevoerd en de plannen met betrekking flexibilisering van de onderwijstijd (o.a. anders omgaan met de lessentabel) staan nog bij veel scholen in de kinderschoenen. Misschien moeten we deze beleidsarme begroting daarom ook maar als een kans zien. Een kans om wat we écht belangrijk vinden nu ook echt uit te kunnen voeren!

Vmbo
In de Miljoenennota van vorig jaar werd het vmbo nog specifiek genoemd. Het onderwerp aansluiting op de arbeidsmarkt was een heet hangijzer. Die ambitie is blijkbaar gerealiseerd, want er wordt nergens meer over ‘aansluitingsproblematiek’ gesproken. Sterker nog, het vmbo komt in het geheel niet voor in de Miljoenennota 2018.

Dat is schrijnend. Het vmbo telt de grootste groep VO-leerlingen met heel duidelijke en door meerdere partijen geadresseerde problematiek. Zo blijven nieuwkomers een kind van rekening. Een van de voorbeelden van kansenongelijkheid in het onderwijs met alle mogelijke negatieve gevolgen van dien. 

Geef vmbo-leraren én vmbo-leerlingen meer perspectief. Dát zou de boodschap moeten zijn. Zo is de waardering (maatschappelijk én  financieel) van de leraren in het vmbo een vraagstuk dat nog steeds niet wordt benoemd en erkend. 

Beroepsonderwijs 
Er is de afgelopen jaren geïnvesteerd in de kwaliteit van het beroepsonderwijs en met het gewenste resultaat. Onder het kopje beleidswijzigingen is het volgende te lezen: “naast een goede kwaliteit moet het mbo ook responsiever worden om aansluiting te houden bij een steeds dynamische arbeidsmarkt”. De regeling met subsidies vanuit het regionaal investeringsfonds mbo is verlengd. Hierdoor is er ook in 2018 € 25 miljoen beschikbaar is voor publiek-private samenwerking. Dat is goed nieuws. Maar alleen geld is niet genoeg.

Ook het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) ging met ‘Beroep op het mbo’ aan de slag met de vraag hoe het mbo kan inspelen op de toekomstige vraag van de arbeidsmarkt. Ton Heerts, voorzitter van de MBO Raad, over de algehele conclusie: “het mbo sluit over het algemeen goed aan op wat de arbeidsmarkt vraagt, uitzonderingen door een aantrekkende economie daargelaten uiteraard.” 
Toch blijf je in het primaire proces merken dat er een spanningsveld is tussen onderwijs en bedrijfsleven. Onze economie zit in de lift en we hebben te maken met een snel veranderende arbeidsmarkt en veel innovatie in het bedrijfsleven. Het is in het belang van ‘onze’ studenten dat onderwijsinstellingen voor beroepsonderwijs hier zoveel mogelijk in meebewegen. Tegelijkertijd is ‘bewegen’ voor het (beroeps)onderwijs lastig in het spinnenweb van structuren, regels en controles uitgevoerd door de overheid. 

Eerder hadden we het in deze reflectie over “een beleidsarme begroting”. Ook voor het beroepsonderwijs biedt dit een kans om aandacht te hebben voor innovatie en niet alleen bezig te zijn met het in- en doorvoeren van nieuwe wet- en regelgeving. Prachtige initiatieven worden al genomen zoals met practoraten, waarmee in het mbo een inspirerende onderzoeksomgeving/’skills lab’ wordt gecreëerd. 

De overheid moet het beroepsonderwijs de ruimte geven om mee te gaan met de wensen van het bedrijfsleven, door meer flexibiliteit, bijvoorbeeld in het aantal uren begeleide onderwijstijd. Laten we de kaders oprekken zodat het ook mógelijk is om mee te bewegen. En als we willen meebewegen met innovatie en de veranderende arbeidsmarkt, zullen we als professionals ook in beweging moeten komen (en blijven). Het is daarom gunstig dat het kabinet voornemens is om, in het kader van een leven lang ontwikkelen, de huidige fiscale aftrek van scholingsuitgaven per 1 januari 2019 om te vormen tot een gerichte uitgavenregeling in de vorm van scholingsvouchers.

Vakman, maar ook burger
Met de ontwikkelingen in onze huidige samenleving (ver weg van de ‘gouden-horloge-tijd’ en in een tijdsgewricht waarin je als burger veel keuzes moet maken) is het belangrijk om niet alleen te investeren in het opleiden tot vakman, maar ook vooral het opleiden van de student als burger. In het SCP-rapport geven oud-studenten ook zelf aan dat zij behoefte hebben aan het ontwikkelen van de sociaal-emotionele vaardigheden naast de vakkennis en -vaardigheden. Daarom is het goed dat er vanuit OC&W, in samenwerking met de MBO Raad, wordt geïnvesteerd in burgerschapsonderwijs. Maar des te meer opvallend dat er in de begroting weinig is opgenomen over dit belangrijke thema. 

Tot slot
De begroting van het demissionaire kabinet heeft een korte houdbaarheidsdatum. Laat de nieuwe regering stoppen de onderwijsbegroting te zien als een optelsom van lerarensalarissen en het onderwijs als een diplomafabriek. Laat een nieuwe regering het onderwijs zien als een belangrijke investering in de toekomst van ons allemaal. Dat betekent dat er meer nodig is dan een stimuleringsmaatregel hier en een noodverbandje daar. Zoals de ontwikkelpot van 4,2 miljoen die recentelijk werd ingesteld voor de ontwikkeling van primair en voortgezet onderwijs. Er is behoefte aan een serieuze onderwijsinnovatieagenda. Laat het onderwijs zelf die innovatieagenda formuleren. Laat de regering daar ondersteunend aan zijn en daar een investeringsbudget voor beschikbaar stellen.  Dat er haast bij is wordt duidelijk wanneer we ons realiseren dat er nog steeds onderwijs gemaakt wordt voor mensen die het hoofd op hun romp hebben staan. Terwijl de kinderen in 2017 het hoofd allang tussen hun duimen hebben

Deze reflectie is onder andere verzorgd door onze adviseurs Felix Razenberg,  en Ton Bruining

 

Mis geen update, meld u aan voor onze nieuwsbrief

Inschrijven Nieuwsbrief

Geïnteresseerd?

Neem dan contact op met:

Dr. Ton Bruining
Adviseur
06–53221513

E-mail Ton