Terugblik op zevende Laurens van der Graafflezing met Ton Bruining

1 december 2021

Op het Geert Groote College in Amsterdam verzorgde onze netwerkpartner Ton Bruining onlangs de zevende Laurens van der Graafflezing, vernoemd naar de bevlogen docent Nederlands die bij de crash van MH17 om het leven kwam. (tekening gemaakt door Erika Nováková, leerling van het Geert Groote College). 

Laurens was niet alleen een getalenteerd leraar en een buitengewoon innemende persoonlijkheid. Hij leefde in zijn leraarschap het ideaal van de onderwijsvernieuwing. Dit ideaal wil het Geert Groote College onder andere met een jaarlijkse lezing over onderwijsvernieuwing levend houden. Tegelijkertijd is de lezing een passend eerbetoon aan Laurens. N.a.v. zijn lezing spraken we Ton.

Wie waren de toehoorders bij de lezing en wat voor reacties kreeg je op je lezing?

“De toehoorders waren op de eerste plaats de ouders van Laurens van der Graaff. Het was fijn om te ervaren dat die ingenomen waren met de lezing, de vader van Laurens was zelf ook een onderwijsman. Verder waren er leraren en leden van de schoolleiding. Ook die voelden zich geïnspireerd en uitgedaagd om verder te denken, vooral over wat er nodig is om samen te blijven ontwikkelen. In het onderwijs gaat het in de kern veel meer om het kunnen ontwikkelen van een gezamenlijke scheppingskracht dan dat het over (steeds weer nieuwe maar ook vergankelijke) onderwijsideeën moet gaan. Het grootste compliment vond ik dat na afloop leerlingen uit de eindexamenklassen naar me toekwamen en vroegen of ik de lezing ook een keer voor alle leerlingen van het eindexamen jaar kon komen houden. Een verzoek waar ik graag op inga.”

De titel van je lezing was: ‘In goed gezelschap, volwassen worden en professioneel blijven’. Waarom koos je deze thematiek en wat is de kern hiervan?

“Dit jaar koos het Geert Groote College voor professionalisering als thema voor de zevende Laurens van der Graaff lezing. Ze vroegen mij omdat professionalisering van frontliniewerkers een van de aandachtsgebieden is in mijn werk als onderzoeker, adviseur en trainer. Ik koos ervoor om in een lezing over professionalisering mijn kennis en ervaring als sociaal pedagoog, als opleidingskundige en als organisatiekundige bij elkaar te brengen. Als sociaal pedagoog onderzoek ik wat er in organisaties mogelijk is om ervoor te zorgen dat mensen in de publieke dienstverlening, zoals in het onderwijs, bij de politie en in de zorg aandachtig betrokken blijven bij leerlingen, burgers en patiënten en kennis ontwikkelen over het eigen handelen. Dat is nodig omdat de doelgroepen veranderen. In het onderwijs hebben de leraren vandaag de dag te maken met kinderen die hun hoofd tussen de duimpjes hebben terwijl zij zelf veelal hun hoofd nog op hun romp hebben staan. Dan gaat het niet om 21st century skills, die hadden de Romeinen ook al. Dan gaat het om de verbinding tussen mensen, leerlingen en leraren die in veel gevallen anders in het leven staan. De verhoudingen tussen jongeren en oudere mensen is fundamenteel veranderd. De snelheid waarin nieuwe ontwikkelingen plaats vinden maakt dat meer dan ooit ouderen iets van jongeren kunnen leren. Door het internet, de sociale media denken jongeren in nabijheden terwijl veel ouderen nog denken in afstanden. Al deze ontwikkelingen maken dat er een kloof is tussen jongeren en ouderen, een kloof die je niet overbrugt met 21st century skills.”

“Het overbruggen van die kloof kan volgens mij alleen maar als jongeren en ouderen, niet langer meer gezel en meester zijn, maar elkaars ‘gezellen’ durven zijn en vanuit echte ontmoetingen elkaar stimuleren in ontwikkeling. Als opleidingskundige weet ik dat de impact van formele opleidingen, cursussen en trainingen beperkt is en dat mensen leren en ontwikkelen door professionele leer- en onderzoeksgemeenschappen te vormen, samen te werken met partners buiten de organisatie en door het gezelschap opzoeken van bijvoorbeeld beeldend kunstenaars, theatermakers of schrijvers. Als organisatiekundige zie ik dat de organisatie als hiërarchische hark zijn tijd heeft gehad en dat er tegenwoordig wendbaarheid nodig is, dat in de school als professionele gemeenschap het leiderschap veel meer moet worden gedeeld en dat leraren vaker elkaars gezelschap moeten opzoeken om samen na te denken over de opgaven waarvoor het onderwijs staat. Samen creëer je een school als professionele ruimte. Dat is iets anders dan als individuele leraar je professionele ruimte te claimen, wat helaas nog vaak gebeurt. Professionele ruimte creëer je met elkaar. Daarin gaat het om het blijven ontwikkelen van professionele vrijheid als volwassen vrijheid dat iets anders is als ikke, ikke, ikke, maar begrepen kan worden als vrijheid waarbij je je rekenschap geeft van de ander waarmee je samenwerkt en samenleeft. In de loop der jaren hebben we hierover veel gesprekken gevoerd met deelnemers uit het primair, voorgezet en beroepsonderwijs. Zoals met onderwijsmensen die deelnemen aan masterclasses over professionalisering en de ontwikkeling van een huisacademie.”

In je lezing had je het over ‘het in de wereld brengen van leerlingen’. Wat is dat en wat vraagt dat van leraren?

“Heel vaak lees ik in beleidsstukken van scholen en in onderzoeksverslagen van mijn studenten dat ze de leerling willen klaarstomen voor de volgende stap. Eerder heb ik betoogd dat leraren lang niet altijd alle kennis bezitten om leerlingen klaar te stomen, als ze dat al willen. Het is volgens mij de opdracht van het onderwijs om ervoor te zorgen dat jongeren hun weg weten te vinden in een samenleving die er niet gemakkelijker op wordt. Denk aan de verregaande individualisering, de toenemende tweedeling in de samenleving tussen haves en have-nots en de opwarming van de aarde. Niet alleen de samenleving individualiseert, het onderwijs doet dat ook. Naast persoonlijke leerplannen is er nog onvoldoende aandacht voor het samen leren, bijvoorbeeld door vmbo-, havo- en vwo-leerlingen samen. Persoonlijk denk ik dat er te veel nadruk is op kwalificerend onderwijs, op kennis en vaardigheden en op toetscultuur en veel leraren, schoolleiders en onderwijsondersteuners vinden dat ook. Maar ik hoor dat al jaren en toch verandert er maar weinig aan. Volgens mij is het twee voor twaalf en vraagt de huidige tijd om meer aandacht voor de pedagogische opgave en de sociale opgave van het onderwijs. Dit vraagt van het onderwijs een verandering van perspectief. Niet alleen kijken naar het kind en het eigen curriculum. Het vraagt een ontwikkeling van kindgericht naar wereldgericht onderwijs en daarmee vraagt het van onderwijsmensen dat ze hun blik afwenden van het eigen onderwijs en de eigen routines en de blik op de buitenwereld richten. Gelukkig zie ik steeds meer leraren dat ook doen. De afgelopen vijf jaar heb ik als copromotor samen met promotor Gert Biesta het promotieonderzoek van Lisette Bastiaansen begeleid. Daarin gaat het ook over wat er in een school gebeurt om de pedagogische opdracht te vervullen en aandachtige betrokkenheid van leraren bij leerlingen mogelijk te maken.”

Jouw waarneming is dat het bij professionele ruimte er niet zozeer om gaat of je het als professionals met elkaar eens bent maar dat je op elkaar betrokken bent. Wat versta je onder betrokkenheid in deze context en hoe kan dit vorm krijgen?

"Waar het mij om gaat is dat we loskomen van het individuele gelijk of een van bovenaf opgelegde manier van werken. Dat onderwijsprofessionals zich met elkaar verstaan, elkaar echt ontmoeten en gesprekken voeren over hun drijfveren, waar ze voor staan, wie ze zijn, waar ze in geloven en samen kijken naar wat ze kunnen (en-nog-niet) kunnen, wat ze doen en wat ze vanuit het onderwijs voor de samenleving en de leerlingen als onderdeel daarvan kunnen betekenen en wat de samenleving voor hen kan betekenen. Dat vraagt zowel om een bewustzijn van je eigen professionele drijfveren, overtuigingen en activiteiten als om het vermogen om dat los te laten en onbevooroordeeld naar andere onderwijscollega’s te luisteren, met anderen in dialoog te gaan en samen na te denken over de onderwijsopgaven van deze vreemde tijd, waarin een pandemie woedt waarvan het einde nog niet in zicht is, waarin het milieu en klimaat ons zorgen baren en waarin technologie het menszijn beïnvloedt. Voldoen aan de verwachtingen van de belanghebbenden van het onderwijs (denk aan de ouders, de schoolorganisatie, de beroepsgroep en aan jezelf) en dan ook nog eens inspelen op de coronapandemie en op allerlei ad hoc ontwikkelingen maakt dat er nauwelijks tijd is om je te bezinnen en juist dat is wel nodig. Het is belangrijk dat je als onderwijsprofessional geen speelbal wordt maar dat je vanuit een gezamenlijke bezinning vormgeeft aan de onderwijspraktijk. In de afgelopen vijfentwintig jaar heb ik als onderwijsadviseur ervaren hoeveel energie er loskomt als we gesprekken van leraren over het onderwijs leiden. Leraren en schoolleiders zijn vaak zo bezig met de dagelijkse hectiek dat een diepgaand gesprek over waarom we doen wat we doen erbij inschiet. Die verdiepende gesprekken krijgen meerwaarde als ze ook consequenties hebben voor de professionaliseringsactiviteiten van de leraren, de onderwijsteams en de scholen.”

In je lezing sprak je over professionele wendbaarheid. Is dat niet een ander woord voor ‘duurzame inzetbaarheid?

“Beide begrippen hebben zeer met elkaar te maken. Laat ik beginnen met duurzame inzetbaarheid. Om te zorgen voor duurzame inzetbaarheid van onderwijsmensen is het belangrijk dat de school meer doet dan: brandjes blussen, zoals een goed verzuimbeleid (curatie) en uitval van onderwijspersoneel voorkomen (preventie).

Het gaat erom dat je een sterke omgeving creëert die zich niet (vanuit het negatieve) richt op het verhelpen en liefst voorkomen van problemen, maar die eerst en vooral (vanuit het positieve) gericht is op wat je allemaal met elkaar wil realiseren en versterken (amplitie). Als het gaat om de school als een omgeving om te leren en te ontwikkelen is het vanwege de ontwikkelingen in de samenleving en bij kinderen meer dan ooit nodig dat het onderwijs inspeelt op de eigentijdse vragen van de samenleving en van de leerlingen als belanghebbende. Dat vraagt om leraren die niet vastzitten in routines maar die beweeglijk zijn en scheppingskracht hebben. Mooie voorbeelden daarvan vind ik terug in het Brainport Onderwijs in de regio Eindhoven. Ik heb een traditionele vo school in gedachten die door samenwerking met de bedrijven (zoals VDL, ASML) en startups in de regio veranderde. Waar eerst bijvoorbeeld de methode en het programma leidend waren, zijn nu de ervaringen van leerlingen die een eigen bedrijf aan het opzetten zijn leidend en plooit het onderwijs zich daarnaar, zonder de professionele criteria op de drie onderwijsdomeinen (kwalificatie, socialisatie en persoonswording) uit het oog te verliezen.”

Je stelde in je lezing dat er wat jou betreft “een schreeuwende noodzaak” is voor normatieve professionalisering voor managers en professionals. Waar doel je precies op en waarom is dit zo urgent in jouw ogen?

“In het onderwijs wordt vaak de vraag gesteld, werkt het? Dat is een in mijn ogen belangrijke maar ook primitieve vraag. Het gaat ook om de vraag deugt het onderwijs en doet het onderwijs deugd. Bij normatieve professionalisering gaat het om het voortdurend alert zijn. Onderwijs is een complexe zaak, dat vraagt voortdurend om bezinning op wat vraagt de praktijk en niet wat vraagt de overheid, de inspectie of de schoolleiding. Bij normatieve professionalisering gaat het om door persoonlijke en gezamenlijke reflectie kennis te ontwikkelen over wat goed is. Er wordt over professionalisering gesproken en niet over professionaliteit omdat het niet kan stoppen, het is een voortdurend proces. Daarbij helpt het om los te komen van de gebruikelijke clichétaal, de kunsten en de wetenschap kan daarbij helpen. Samen met een aantal collega’s en een lector van de HKU verdiep ik mij in de mogelijkheden om in scholen meer te doen met deze zogenaamde muzische professionalisering en in visietrajecten bouwen we dit in.”

 

Meer over de Laurens van der Graafflezing

Rector Coralie Pluut van het Geert Groote College Amsterdam: “Wanneer je iemand als Laurens van der Graaff in je school hebt, mag je je gelukkig prijzen. Een energieke jonge docent, met passie voor het onderwijs en onvermoeibaar als pedagoog. Steeds opnieuw zocht hij wat leerlingen nodig hadden om zich verder te ontwikkelen, intuïtief toewerkend naar de optimale balans van het aanspreken van hoofd, hart en handen. Zijn plotselinge dood bij de aanslag op de MH17 heeft naast veel verdriet ook een enorme leegte achtergelaten."

"Op school wilden we Laurens jaarlijks herdenken. En dan op een manier die bij hem paste: door die innovatieve kracht steeds opnieuw een impuls geven. Zo werd het idee voor de jaarlijkse Laurens van der Graafflezing geboren. Zijn verlangen naar een continue verbetering van het onderwijs leeft voort door de bevlogen sprekers die docenten, ouders, en andere belangstellenden inspireren.”

Dit interview is vóór publicatie gelezen door de ouders van Laurens en gepubliceerd met hun toestemming. 

 

Geïnteresseerd?

Neem dan contact op met:

Dr. Ton Bruining
Adviseur/R&D KPC Groep
06–53221513

E-mail Ton